Jacobus Huizinga wordt in 1861 in het Noord-Hollandse Westzaan als vierde van vijf kinderen van Juriaan Huizinga (6 maart 1815 - 15 oktober 1891) en Wilhelmina Lucea van Giffen (16 januari 1829 - 3 december 1863) geboren in een oorspronkelijk uit het Groningse Huizinge afkomstige familie. Vader Juriaan is het zevende kind van Dirk Jakobs Huizinga (29 januari 1772 - 30 januari 1843) en Trijntje Jurjens Coolman (17 december 1774 - 9 januari 1852).


De ambitie die 'onze' Jacobus later zal kenmerken om uit te groeien tot een vooraanstaand meubelfabrikant, lijkt deels genetisch bepaald te zijn, deels door zijn vader te zijn gestimuleerd. Zo is zijn grootvader Dirk Jakobs doopsgezind predikant in Westzaan en komt er in zijn voorgeslacht al eerder zowel een doopsgezind predikant als een doopsgezind leraar voor. De moeder van Jacobus -Lucea van Giffen- is een telg van de befaamde Groninger goud- en zilverdynastie Van Giffen.


Een neef van zijn vader is Dirk Huizinga (16 oktober 1840 - 15 maart 1903), hoogleraar Fysiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Diens zoon Johan Huizinga (7 december 1878 - 1 februari 1945) -een volle neef dus van Jacobus- wordt hoogleraar Algemene Geschiedenis, eerst in Groningen en later in Leiden, en is onder andere de auteur van 'Herfsttij der Middeleeuwen' (1919). Een andere zoon van Dirk Huizinga wordt arts.

Linksboven: Zilverwerk van Jan van Giffen (1746-1781). Rechtsboven: Dirk Huizinga, hoogleraar Fysiologie. Linksonder: Johan Huizinga, hoogleraar Algemene Geschiedenis. Rechtsonder: 'Herfsttij der Middeleeuwen', Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon, 1919 - Eerste druk.


Klik op de foto voor een vergroting.


En dan zijn we er nog niet. Een andere neef van de vader van Jacobus is Samuel Peter Huizinga (24 september 1844 - 4 augustus 1899), in leven leraar Burger Dag- en Avondschool en HBS in Leeuwarden. Tot slot heeft vader Juriaan nog een oudere broer Jakob Dirk (3 juni 1808 - 12 augustus 1894), doopsgezind predikant en die een beslissende invloed zal hebben op de beroepskeuze van Jacobus voor de stiel van meubelmaker.


Vader Juriaan is houtkoper en eigenaar van de houtmolen en -zagerij De Witte Troffel in Westzaan. Daar ziet op 11 mei 1861 Jacobus het levenslicht. Hij is zoals eerder vermeld het vierde kind: het eerste kind Catalina wordt geboren en overlijdt in 1854 (niet bekend is of het dood is geboren). Het tweede wordt een jaar later geboren, is eveneens een dochter en krijgt de naam Catharina (1855-1930). In 1859 wordt een zoon Dirk Heiko geboren, die echter al in 1862 overlijdt. In 1861 wordt dan Jacobus geboren, gevolgd -op 3 december 1863- door Wilhelmina Lucea (1863 - 1893). De moeder overleeft het kraambed van haar laatste kind niet en Jacobus is dus amper twee├źnhalf jaar oud wanneer hij halfwees wordt.


















Uit wat de samenstellers van deze website tot nu toe aan archiefmateriaal boven water hebben weten te krijgen, blijkt nergens dat Juriaan na het overlijden van zijn jonge vrouw aan een nieuwe relatie is begonnen. Ook lezen we nergens dat een vrouwelijk familielid zich over het gezin met drie jonge kinderen heeft ontfermd om het verlies van de moeder voor zover mogelijk te compenseren. Uit de overgeleverde correspondentie wordt alleen duidelijk dat Juriaan veel steun krijgt van zijn broer Jakob, 'oom Ko'. Tot aan zijn overlijden op 15 oktober 1891 zal Juriaan zijn kinderen alleen opvoeden. Een niet geringe prestatie, zeker in een tijd waarin dat allerminst gebruikelijk was.

Houtmolen en -zagerij De Witte Troffel, Westzaan. Foto 1858.


Klik op de foto voor een vergroting

<<-< pagina 4 >->>

Wat die opvoeding door alleen een vader -bijgestaan door een oom- voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid van Jacobus heeft betekend, laat zich slechts raden. Feit is dat er uit de brieven die Jacobus tussen 1880 en 1889 vanuit zijn verschillende stageplaatsen aan zijn vader en zusters schrijft, sprake is van een hechte familieband. Uit de brief van 18 maart 1888 uit Parijs: (....) 'Cath schrijft 'Ik dank je wel voor je belangstelling'. Maar zeg mij nu eens, als ik nu geen belang stelde in het welzijn van mijn Vader en mijne twee zusters, in wie zou ik het dan wel moeten doen?' (....) [einde citaat].














Het beeld: het kereltje Jacobus, nieuwsgierig naar de wereld en er tegelijk een beetje bang voor. Geen moeder die hem knuffelt, alleen twee zussen, zijn vader en een oom. Die allemaal het beste met hem voor hebben, maar wat vader en oom betreft misschien niet echt weet hebben van het gemis van het gevoel dat alleen een moeder aan haar kind kan geven. Dat daar in de tijd van Jacobus in de praktijk nog nauwelijks aandacht voor was, is evident. Dat zijn denkvermogen door zijn leermeester als 'stomp en onbevattelijk' wordt gekarakteriseerd, zegt dan ook meer iets over de in die tijd geldende conventies en de leermeester als een representant daarvan, dan over een gebrek aan intelligentie van Jacobus.





Jacobus Huizinga, op ongeveer zesjarige leeftijd.