Meubelfabriek ,,NEDERLAND''

J.A.HUIZINGA

Westersingel - Groningen

Parijs 1 juli 1889

 

'...Om een keuze te maken voor machines voor houtbewerking is niet gemakkelijk, doch daar ben ik gedeeltelijk mee gereed. Deze week nog een paar fabrieken zien, waar men mij de machines wil tonen die niet op de tentoonstelling zijn (...) Om echter een keuze te maken voor kracht, 't zij stoommachine, gaskracht of electriciteit, dat is verbazend moeilijk en ik hoop dat de bekroningen spoedig bekend zullen worden gemaakt, opdat ik daar wat op af kan gaan...'

 

Parijs 5 juli 1889 [de laatste reisbrief]

 

'...Met een machine ben ik in zoverre gereed, dat ik veronderstel dat hete lucht [stoomkracht] het beste is en verreweg het goedkoopste (...) Morgen zal ik zien dat ik in een fabriek kom, waar men hout brengt en daarna naar de tentoonstelling. Zondag Museum voor Kunst en Nijverheid met een museum voor meubels...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bovengenoemde selectie passages is gekozen vanwege hun directe affiniteit met de stiel waarmee Jacobus Abraham zijn brood zal verdienen: het meubelmakersvak. Ook de keuze om de passages uit de laatste brieven te halen -die van 1888/89- is een bewuste, omdat ze het dichtst aanleunt tegen het moment dat Jacobus met zijn werkzaamheden een aanvang maakt.

Overwegingen en keuzes van Jacobus kunnen -vanwege de toenemende druk vanuit Groningen om met die werkzaamheden een begin te maken- niet langer vrijblijvend zijn. De tijd om knopen door te hakken, na een jarenlang verblijf op tal van stageplekken, komt voor Jacobus steeds dichter bij. De strekking van de passages -zijnde representatief voor de inhoud van de overige brieven- is dat Jacobus in de laatste maanden dat hij in Parijs verblijft, eindelijk een keuze heeft gemaakt. Hij weet wat hij worden wil: eigenaar van een meubelfabriek.

 

De reisbrieven van Jacobus Abraham omvat de (gehele?) correspondentie die hij met zijn vader en zusters voerde (zijn moeder was al in 1863 overleden) vanaf het moment dat hij in 1880 naar Amsterdam toog voor de opleiding tot meubelmaker tot aan de laatste brief uit Parijs van 5 juli 1889. Een collectie van honderden brieven, wat er in ieder geval op wijst dat Jacobus het schrijven van brieven niet als een corvee zag. Hij schreef graag en vaak naar zijn vader en zusters en aangenomen mag worden dat er ook vanuit Groningen door de jaren heen honderden brieven naar de diverse adressen zijn gestuurd waar Jacobus verbleef.

 

Uit de inhoud komt een persoon naar voren met een meer dan gemiddeld schrijverstalent. Jacobus weet beeldend te schrijven over de reizen die hij maakt, de landschappen, dorpen en steden die hij onderweg doorkruist en de mensen die hij ontmoet. Ook toont hij zich een scherp en kritisch beschouwer ten aanzien van het gedrag van zijn medemens, is hij bij tijden ironisch in zijn oordeel en weet de lezer soms zelfs aan het lachen te krijgen. Verder is hij geïnteresseerd in het wel en wee van het thuisfront, vraagt naar de gezondheid van zijn vader en zusters, de kwetsuur aan de voet van oom Ko, welk souvenir ze het liefst zouden willen ontvangen van de Wereldtentoonstelling en hoe het vordert met de verkering van zus Willemien en M.

 

 

 

 

 

 

<<-< pagina 3 >->>

Passages uit de brieven zijn te vinden onder het tabblad 'Trivia', omdat ze minder een beeld geven van Jacobus op weg naar zijn directeur/eigenaarschap van een meubelfabriek (waarvoor het tabblad 'De Fabriek' is gereserveerd), maar des te meer over de veelzijdigheid van zijn persoonlijkheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alvorens we ons echter aan een karakterisering van die persoonlijkheid zetten, gebaseerd op de brieven en op het feit dat Jacobus inmiddels is uitgegroeid tot een volwassen man waarin -zoals bij iedereen op die leeftijd- karaktertrekken definitief wortel hebben geschoten, moeten we terug naar de periode voordat hij met zijn meubelmakerskistje naar Amsterdam vertrok. Naar de periode waarin hij -na het vroegtijdig overlijden van zijn moeder- onder de hoede kwam van zijn vader. Zijn vader die hem als houthandelaar en eigenaar van een houtzaagmolen in de houtmaterie vóór ging en die tot zijn overlijden in 1891 zeer nauw bij de zaken van zoonlief betrokken zou blijven.